Thomese De weldoener

Thomese De weldoenerP.F. Thomése – De weldoener

De antiheld Sierk Wolffensberger, geboren Theo Kiers, droomt van een nieuw begin: alles achterlaten en zijn dromen waarmaken. Hij zit al jaren vast als niet succesvolle componist, in een huwelijk met een rijke maar niet meer interessante adellijke vrouw. Hij is nota bene teruggekeerd naar zijn geboorteplaats en voelt zich gevangen in een leven waar hij niet tevreden mee is, waar hij voor zijn gevoel al lang bovenuit had moeten stijgen.

De Weldoener is P.F. Toméses zesde roman, waarmee hij na de lollige romans Vladiwostok! (2007) en J. Kessels: The Novel (2009) weer een meer serieuze toon aanslaat. In 1991 werd zijn eerste verhalenbundel Zuidland (1990) bekroond met de AKO literatuurprijs, waarna zijn werk door veel critici werd geprezen. Zowel Vladiwostok! als Nergensman, Autobiografieën (2008) werden genomineerd voor de Gouden Uil.  

In De Weldoener weet Thomése vanaf hoofdstuk één het treurige personage, dat in zijn leven weinig betekenisvol is geweest, goed neer te zetten. Al snel wordt duidelijk dat Wolffensberger wel droomt van ‘iets groots en gruwelijks verrichten’, maar het lef en het vermogen niet heeft, ‘Hij wil opnieuw beginnen, maar dat gaat niet meer.’ Vaak denkt hij met trots terug aan hoe hij op zijn negentiende als een prins zijn vrouw wist te veroveren, maar die droom is alleen nog een herinnering en zijn vrouw is geworden tot een ‘louter administratieve muze.’ Wanneer Wolffensberger wel van betekenis wordt, hij redt het leven van een meisje, weet hij dat niet vast te houden. Het meisje, Beertje, heeft een zelfmoordpoging gedaan en Wolffensberger vindt haar in een rommelhok in de kerk waar hij als koordirigent zijn dromen niet waarmaakt.

De vondst van het meisje, een ‘meisje voor hem alleen’, lijkt zijn uitkomst om opnieuw te beginnen en de alledaagse werkelijkheid te ontvluchten. Beertje is de dochter van de bekende componist Lou Wehry, Wolffensbergers grootste concurrent in de muziek, en ze is niet van plan terug naar huis te gaan. Met haar afscheidsbrieven heeft zij zich wel los kunnen maken van het alledaagse leven. Nu haar familie denkt dat ze dood is, is ze vrij, ze is in een bijna andere dimensie terecht gekomen en hij wil met haar mee. Maar hoe meer hij de situatie probeert te leiden, hoe verder zij weer tussen zijn vingers door glipt. Het onvermogen om door deze gebeurtenis zijn leven in eigen hand te nemen en een nieuwe wending te geven is pijnlijk en je voelt als lezer hoe hij zijn grip steeds meer verliest, juist omdat hij het zo graag wil vasthouden. Hij wil een nieuw leven componeren, maar hij weet niet hoe. Dat Wolffensberger geen idee heeft van wat hij met het meisje wil, maar wel het risico neemt met haar gezien te worden, laat zien hoe slecht hij zelf weet wat hij met deze nieuwe situatie aan moet. Wanneer hij met haar wil vluchten doen de scènes soms denken aan Nabokovs Lolita, ook Beertje blijkt een eigen wil te hebben en je voelt zijn angst om haar weer te verliezen. Ze staat voor de jeugd die hij nooit heeft gehad en voor het nieuwe begin waar hij naar verlangt, hij hoopt ‘dat zij de waargebeurde droom is waarin zijn leven eindelijk werkelijk plaats kan vinden’, maar ze blijkt ook enkel een gewoon meisje met een verleden en alledaagse problemen.

De Weldoener gaat over de alledaagse werkelijkheid en een droomwerkelijkheid, over loslaten en opnieuw beginnen. Wolffensberger is vaak in zijn auto, op zoek en onderweg, pendelend tussen zijn oude leven dat hij niet zomaar achter zich kan laten, maar dat hij geestelijk al heeft verlaten, en tussen zijn nieuwe leven, naar het meisje dat nu de werkelijkheid is geworden. Ook als lezer word je terug naar de realiteit gehaald als in het midden van het boek de familie van Wolffensberger en van Beertje aan het woord komen, die proberen te bevatten wat er aan de hand is. De stijl van Thomése is soms wat gezwollen en hoogdravend: ‘Ze zitten gevangen in een flinterdun heden dat hun gewicht niet kan dragen.’ maar past wel bij de gedachtewereld van de figuur Wolffensberger die zichzelf de laatste Romanticus noemt. De vele thema’s die Thomése inzet, het componeren en het scheppen, de vergelijkingen met God, versterken de tragiek van de mislukte componist. Het klopt en het past, Thomése weet je tot het einde toe vast te houden.